Toespraak afscheid Hollandia, Utrecht 19 juni 2005
van Arthur Sonnen
Ik weet niet hoe lang ik u ga bezighouden, Johan antwoordde mij toen ik zei dat ik het wat wilde inkorten: “neem nou eens de tijd man”. Hij wist niet wat hij zei.
Dag familie
Ik voel mij een beetje als iemand die achterblijft terwijl de familie emigreert: de belangrijkste familieverhoudingen worden nog eens doorgenomen. De kinderen zijn erbij en weten ongeveer wat er komen gaat en wat ze van elkaar vinden. Maar zij willen nu wel eens weten hoe het al die jaren tussen de ouders er aan toe is gegaan. Wat speelde zich daar af? Wie nam nu eigenlijk de beslissing om te verhuizen en waarom kwam die nieuwe oom ineens zo vaak over de vloer? Daarover gaat dit verhaal. Het is mijn persoonlijke kijk op Hollandia, mijn huis in Holland, het enige huis dat ik als MIJN huis in Holland beschouwde.
In 1990 toen ik nog bij het Holland Festival werkte heb ik eens het publiek in bussen naar Berlijn laten rijden. Dat was omdat een van de meest politiek/actuele en fascinerende toneelvoorstellingen van dat moment: de Hamlet van Heiner Müller om technische redenen niet in Amsterdam vertoond kon worden. Maar omdat het Deutsches Theater de data wel ingepland had, hebben we toen de subsidie besteed aan het Grand Hotel in Oost Berlijn.
In die voorstelling had Heiner Müller zichzelf geportretteerd in de rol van Horatio, de vriend van Hamlet die alles weet, overal bij is en die geen zelfmoord mag plegen: “Als je mij ooit in ’t hart gedragen hebt, O vriend van mij, vertel ’t verhaal – de rest is stilte”. Sterft.
Deze herinnering valt samen met wat ik met Hollandia deel: de politieke actualiteit, het Duitse theater, het verslepen van het publiek maar vooral: de vriendschap. Hollandia is het enige gezelschap waarbij ik niet alleen als graag gezien gast kwam maar me echt thuis voelde. Eigenlijk een ervaring die ik alleen uit Duitsland kende: de warmte van de kantines van Duitse ensembles, het ware familiegevoel.
De speelstijl
Een paar dagen geleden was ik bij de Holland Festival opvoering van Brook’s Tierno Bokar, over een Afrikaanse Soufi meester (die problemen opzocht om uit te zoeken of hij zelf wel het geduld en het doorzettingsvermogen bezat dat hij aan anderen onderwees). Brook verklaart: “Om ons echt betrokken te voelen moet theater dicht bij ons leven staan”.
Kijkend naar die voorstelling moest ik sterk denken aan Hollandia. Ergens in The empty space heeft Brook het over: “ […] heilig theater, maar je zou het ook kunnen noemen: ‘theater van het onzichtbare’ dat zichtbaar gemaakt wordt”. Net Hollandia, denk je onwillekeurig, al moet je er dan ook ‘hoorbaar’ aan toevoegen. Brook laat zien dat de verschillen in de kunsten zijn te onderscheiden als ze zich openbaren als ritme of vorm. Op zichzelf zijn ritme en vorm abstracte esthetische elementen, maar ze zijn onontbeerlijk als het patroon dat aan een betekenis ten grondslag ligt. Soms dreigen die esthetische vormen te domineren, als de taal (die betekenis genereert), ondergeschikt wordt aan de esthetiek. Hetgeen gebeurde bij die wat etherische voorstelling van Brook. In Tierno Bokar is niets aanwezig van de paradoxale aantrekkelijkheid van het slechte, kortom het is duidelijk dat de zwarte goed is en de blanke slecht. Brook’s idealistische, politiek correcte denkwijze is zo opgelegd dat die de betekenis van de voorstelling aantast.
Dat soort wanhopig gelijk tref je nergens aan in de producties van Simons en Koek. Bij de meest ideale voorbeelden van hun samenwerking behoudt de betekenis van de taal zijn zelfstandigheid, waarnaast in het ritme van het geluid en de beweging, in de vorm dus, de betekenis van het spel zich openbaart. De intuïtieve samenwerking van deze twee kunstenaars was een praktische toepassing van een soort deconstructivisme, dat niet voortkwam uit theoretische studie, maar uit louter besef dat het illustreren van woorden, zelden of nooit leidt tot een meerwaarde die het opvoeren van een tekst rechtvaardigt. Koek en Simons wisten allebei hoe het werkte maar raakten bij de uitwerking steeds in gevecht. Het was een alles overstijgende vriendschap die hen toch steeds weer tot elkaar dreef. Met andere woorden: op zoek naar een ideale samenwerking vonden twee kunstenaars elkaar die elkaar principieel niet begrepen. En juist omdat ze elkaar niet begrepen kreeg je op toneel die strijd te zien. En dat is het enige waar toneel dat er toe doet over gaat: over twijfel.
Eigenlijk maken Johan en Paul het betere theater van Peter Brook.
De karakteristiek van een samenwerking met als essentie wantrouwen en overgave.
Anna Achmatova geeft daar in een naamloos gedicht een naam aan: De verborgen grens
In de innigheid tussen mensen is een verborgen grens,
Die liefde noch passie overschrijden kan
Hoezeer ook in angstwekkende stilte de lippen ineenvloeien
En het hart aan liefde zich te buiten gaat
Ook vriendschap is hier onmachtig en
De jaren van diep en vurig geluk,
Wanneer de ziel vrij is en vreemd aan
De langzame uitputting door wellust.
Het is waanzinnig naar die grens te streven, en zij
Die haar hebben bereikt, worden door weemoed overvallen.
Begrijp je nu waarom onder jouw tasten
Mijn hart niet harder slaat.
-------------------------------------------------------------------------
Ich habe Genug
--------------------------------------------------------------------------
Wat u zojuist hoorde is een Bach Cantate, die qua karakter wel past bij dit afscheid.
Er is een tijd geweest dat niemand van Johan Simons en Paul Koek gehoord had. Eigenlijk is dat nog niet eens zo heel lang geleden en nu zijn ze al niet meer weg te denken. Zo’n denkoefening krijgt pas echt vat op je verbeelding als je je realiseert dat er ook ooit een tijd is geweest dat de muziek van Bach er nog niet was. Laat het even tot u doordringen…… Elmer Schönberger wijdde er een compositie aan: En nergens Bach… Wat moet het toen stil zijn geweest.
Werdegang van ontmoeting en bestuur
De eerste Simons in mijn leven heette Peter en zat bij mij in de klas op de lagere school in Maastricht, de zoon van een luxe slager. Hij was duidelijk te dik, maar dat was kennelijk niet bepalend voor het geluk, want hij beschikte altijd over het nieuwste speelgoed en had ook oneindige hoeveelheden snoep. Ik was daar jaloers op, hoewel ik natuurlijk hooghartig zei dat zulks mij niet interesseerde.
Johan Simons had heel ander vlees in de kuip. Eind jaren zeventig kon ik aan de slag aan de Toneelacademie van Maastricht. Op de eerste officiële schooldag kwam ik als dramaturg kennismaken met de studenten en docenten onder het genot van koffie en vla. Die dag stond bekend als de ‘vleeskeuring’. Mijn toekomstige collega Simons vroeg mij naast hem te komen zitten op het podium “omdat je dan beter uitzicht had”. Hij wees mij aan welke vrouwelijke talenten hij dat jaar persoonlijk onderricht zou geven. Daar zag ik ook wel wat in, al achtte ik het grootspraak, maar gedurende het jaar nam het aantal gebroken harten toe. Dus er moet enige waarheid gestoken hebben in Simons’ overtuigingskracht. Nu heb ik dat eerlijk gezegd bij die actrices nooit precies nagegaan, dus misschien is het een mythe, maar dan wel een met een aantrekkelijke kern van geloofwaardigheid.
U begrijpt zulk soort ervaringen verbroedert en dus zaten we sindsdien vaak op die eerste dag van het jaar studieus bij elkaar op dat podium en het moet gezegd dat als ik op school wel eens een dramaturgie bij Johan deed, dat het altijd zinderde. Het was een vrolijke tijd.
Ik had nog nooit een productie van het Wespetheater gezien toen dat “na drie jaar uit elkaar spatte”, zoals Tom Blokdijk meedeelt in Boekje 2 van de aangekondigde reeks van 6 stuks over Hollandia. In 1983 werd het Regiotheater opgericht en werd ik voorzitter van het bestuur. Mijn voornaamste taak was om te voorkomen dat ik bij de financiële neus genomen werd. Gelukkig werd Erica van Eeghen penningmeester, dus met de kritische vragen over de financiën kwam het ook goed. Anneke Holties, de productiemedewerkster viel van de ene verbazing in de andere. Tenten, kermisattracties en andere te bespelen locaties was ze niet gewend. Maar omdat Johan het wilde, werkte ze mee. Altijd op de rand van het faillissement. Maar dat is nooit een criterium geweest voor goed vakmanschap. Sterker, zoiets heet risicovol werken. Dat kon je wel aan Johan en de inmiddels in de vaste groep opgenomen Paul Koek, wel overlaten. Gelukkig had ik toen nog geen verstand van geld.
Toen we fuseerden met 8 Oktober en Hollandia gingen heten, hadden we een echte voorzitter nodig en vanaf dat moment werd ik bestuurslid, om nooit meer weg te gaan. Eindelijk konden we toen Tom Blokdijk, waarmee ik al jaren bevriend was, in de gelederen opnemen, eerst als bestuurslid, vervolgens als dramaturg van het gezelschap.
Hollandia heeft drie voorzitters gekend Hans van Beers, Peter Kramer en Hans Andersson.
De inmiddels legendarische mediabestuurder, orkest-, omroep- en museumdirecteur Hans van Beers was als voorzitter van het bestuur eens uitgenodigd bij het provinciaal overleg over de cultuurnota. Nadat hij tweeëneenhalf uur nadat hij besteld was, eindelijk het woord kreeg, begon hij als volgt: “Ik heb het even voor u uitgerekend; stel u verdient hier gemiddeld Fl 150,- per uur . Op dit moment zijn hier 62 man aanwezig. Dat wil dus zeggen dat u zojuist ongeveer de helft van het extra subsidie dat Hollandia nodig heeft, verleuterd heeft”. Het spreekt vanzelf dat het benodigde geld er kwam, maar dat lag aan Willem Padt, een van de beste ambtenaren die ooit voor het toneel heeft bestaan.
Zeer kleurrijk was ook Peter Kramer. Bij een poging een datum te vinden voor een volgende vergadering had hij steevast hetzelfde antwoord: “Nee dan kan ik niet, op die dag ga ik trouwen.” Ten tijde van zijn voorzitterschap dat 2 jaar duurde, is hij, geloof ik, drie maal getrouwd.
Met Hans Andersson kun je ongelofelijk goed werken. Het kost vaak nogal wat tijd, hij laat graag iedereen uitspreken, maar hij kan er zelf ook wat van. Strategie is zijn grootste talent: op het juiste moment een troef uitspelen, waarvan iedereen dacht dat die al lang uit het spel was. En verder, met grote omhaal iets vertellen, waardoor iedereen denkt: “Ah zo zit dat dus”. Achteraf blijkt dan dat je eigenlijk helemaal niks ervan hebt gesnapt al is het doel wel bereikt. Hans heeft eens een paginagroot interview in de NRC gegeven, waarvan je na eerste lezing dacht: interessant, dat moet ik nog eens lezen. Maar bij nadere beschouwing blijkt er helemaal niets te staan. Kortom, hoe je een indruk kan wekken van iets echts, terwijl je niets beweert, maar wel bereikt waar je je zinnen op gezet hebt, zo iemand moet wel aan het toneel. En dan natuurlijk alleen bij de top.
Vanaf die tijd dateren ook de pogingen om Johan op te stoten in de vaart der Europese volkeren. Simons en ik gingen samen op stap om Europa te ontdekken al waren we meestal bij Düsseldorf de weg al kwijt. Zo kwamen we in Recklinghausen, Dresden en Schwerin terecht en arriveerden per 1ste klas nachttrein te Avignon. Ik benaderde Mortier en Baumbauer, maar uiteindelijk was Marie Zimmermann de eerste die dat fenomeen wel eens van nabij wilde zien. Ze kwam naar Varik en Johan bereidde de maaltijd voor haar en Friederich Schirmer. Het is een vriendschap voor het leven geworden.
En later kwamen die anderen grote managers natuurlijk alsnog al wisten ze zich plots niets meer te herinneren van eerdere toenaderingen, maar dat zijn we wel gewend.
Deconstructivisme is iets anders dan een mysterieus excuus
“Je hebt geen kans maar grijp hem”, wordt vaak door Hollandia geciteerd als uitgangspunt van hun werk. Die uitspraak is van Achternbusch, die de geschiedenis van zijn achtergebleven familie op het Beierse platteland vastknoopte aan ervaringen en ontwikkelingen in de veranderende wereld. Die symboliek was het uitgangspunt voor het artistieke werk van Hollandia. Ver van de grootstad, maar midden in het leven. Simons en Koek streefden niet naar bekendheid maar naar beroemdheid. BN’ers zijn het nooit geworden. Toch is het misschien wel tekenend dat als je op Google kijkt je op het woord Hollandia 1.140.000 hits aantreft. Zowel bekend als beroemd.
Het zijn de Robespierre en Danton van het Nederlands toneel, al moet je dat interpreteren naar het werk dat ze maken, waarbij toneel en muziek met elkaar een strijd streden tussen woord en begrip om de revolutie te veroorzaken. Simons heeft eens gezegd dat hij een soort eenvoudig deconstructivisme toepast: “Ik haal de zaken uit elkaar en zet ze weer op mijn eigen manier in elkaar”. Inderdaad kun je zo eenvoudig naar zulk een belangrijke filosofische stroming aankijken, maar het blijkt wonderwel te kloppen als je er een heel klein beetje dieper op in gaat.
Hollandia kwam voort uit verzet tegen de bestaande toneelcultuur. Een verzet tegen het verwachtingspatroon van de burgerij die toneel bezocht. Simons en Koek wilden geen examen doen als ze een productie uitbrachten, maar wilden als een uitdagend aanbod gezien worden, dat niet onmiddellijk beoordeeld kon worden met het bestaande jargon. Vandaar dat een omschrijving van hun denken als ‘intuïtief deconstructivistisch’ wel een redelijke samenvatting is. Het deconstructivisme stelt dat je het westers denken kan blootleggen door de logica ervan te ‘deconstrueren’. Het hanteert een soort tekstanalyse waarbij ervan wordt uitgegaan dat teksten altijd op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd.
Lichtjes analyserend kom je bij het werk van Hollandia tot de volgende trefwoorden:
- Vorm los van inhoud
- Verwachting tegengaan
- Taal gescheiden van betekenis
- Decor is iets fundamenteel anders dan locatie
- Taal staat naast muziek
- Spel is nooit illustratief
- Tekst en beweging zijn aparte zaken
Simons en de politiek
Simons heeft in interviews de laatste tijd het achterste van zijn tong eindelijk eens laten zien. Dat kan nu ook, nu hij niet meer strategisch en politiek meepratend hoeft te reageren. Het is zo opvallend dat het lijkt dat je pas serieus genomen wordt als je weggaat. Dan blijken journalisten ineens het verzet op te geven en blijken ze wél begrepen te hebben waarom het in al die jaren is gegaan. Simons heeft bij het oprakelen van het verleden vele malen herhaald dat hij ging spelen voor mensen die nooit naar theater gingen, waarmee hij afstand nam van de elite. Maar zijn theater voldeed teveel aan de normen van de elite: “je moet het niveau hebben om te kunnen begrijpen wat er gebeurt, ook als het moeilijk is” dat die elite hem altijd weer terugvond hoe zeer hij zich ook verborg.
De groep mensen die ‘er toe doen’, ‘de spraakmakende gemeente’ zoals ze door de werkgroep Kassies werd genoemd, die mensen voelden zich bij Hollandia serieus genomen en waren dus bereid moeite te doen om het avontuur aan te gaan.
En hoewel Van der Ploeg en andere tot populisme geneigde bewindslieden nog dachten dat Hollandia er een geraffineerde marketingstrategie op na hield, was zelfs de meest verfijnde geheimhouding van de opvoeringsplaats niet in staat het elitaire publiek van zijn voornemen af te krijgen om aan deze intellectuele uitdaging deel te nemen.
Het is juist omdat de elite niet meer kan en wil leiden en omdat de massa niet meer geleid wil worden dat de elite de weg kwijt is. Hollandia bood de uitdaging voor de geest dat zolang ontbroken had en die het illustratieve theater nooit kan bieden.
In de analyse van de werkgroep Kassies wordt nog een zeker vertrouwen uitgesproken in de spraakmakende gemeente die als voormannen het toneel zou moeten volgen. Op ministerieel niveau is dat al lang verleden tijd en worden de opgaven van de kunst die elitevormend zou moeten zijn verward met publieksaantallen die door de massacultuur op de been gebracht worden.
Ging het bij Hollandia nog om politiek en kunst, inmiddels is daar geen plaats meer voor nu domineren de sport, show en media.
Goed leiderschap en het uitstijgen boven de beknelde elite dat is waarvan Hollandia zich scherp bewust is geworden. En omdat Simons zich realiseert dat hij een openbare functie heeft neemt hij het woord, treedt naar buiten en toont zich in de ware zin des woords een politicus die de kunst verstaat zijn kunst weer politiek te laten zijn, dwz onderdeel te maken van een debat, dat niet alleen over kunst gaat. Het is opvallend dat nooit zelfs maar één journalist gevraagd heeft naar de bedoeling achter de uitspraak van Johan Simons dat Ivo van Hove’s subsidie er niet is om Alan Ayckborn op deze wijze uit te voeren. Simons’ voorstellingen zijn wezenlijk politiek: verwarrend, vreemd, maar ontroerend helder.
Terwijl de politici die we nu hebben zich steeds meer richting de massa draaien en steeds meer onderdelen van het parlement bang zijn voor de Fortuinzoekers van deze wereld, blijven Simons en Koek ongeïnteresseerd in populistische ministeriële draaierijen, die zich manifesteren in marketingstrategieën en publieksaantallen. Zij weten namelijk dat die paar mensen die willen nadenken hen zullen blijven zoeken: op grond van intuïtie en wantrouwen. Hollandia was gebaseerd op gezond wantrouwen. Dat is het vertrouwen dat nodig is om een goed gezelschap te vormen. Simons noch Koek is te vertrouwen. Juist daarin onderscheiden zij zich van politici. Je kunt hen niet afrekenen op hun beloftes. Of zoals Simons herhaaldelijk heeft gezegd: “Als ik iets beloof wil dat nog niet zeggen dat ik het daarom ook doe”.
We zitten in Nederland gevangen tussen Balkenende en Joop van den Ende. Het is duidelijk dat er voorlopig in Nederland alleen nog maar gekissebist wordt. De Tante van Charlie, Mozart, Trouw en Raak me aan, voeren het klassement van de publieksprijs aan van de NRC aan (‘Slijpsteen voor de Geest’). Ik denk niet dat er met zulke resultaten een oorlog te winnen is. Ach Europa, zei Enzensberger in dat beroemd geworden boek. Weet u dat hij vijftien jaar geleden reeds in het slothoofdstuk van dat gelijknamige boek voorspelde dat in 2006, als Finland voorzitter is, de Finse president aankondigt dat de droom voorbij is.? Enzensberger zat er maar één jaar naast met zijn voorspelling. Eigenlijk zijn we nu reeds zover.
Europa, het wenkend perspectief?
Het is niet voor niets dat bij de twee belangrijkste gezelschappen van Berlijn: de Schaubühne en de Volksbühne 2 Nederlandstaligen aan de slag gaan en dat de beide afscheidsproducties van Luk Perceval en Johan Simons Turista en Fort Europa gewijd zijn aan het deficit van Europa.
Wie weet wat de toekomst ons zal brengen. In Vlaanderen dat dichter bij de Europese politiek betrokken is, verwacht ik van de kunst en van de ministers een politieke stellingname al was het maar om erger te voorkomen (Vlaams Belang). Dus vandaar veel goeds. En Leiden? In de stad met de oudste universiteit van Nederland waar vorsten en politici gekweekt worden, kan misschien iets teweeg gebracht worden, Hollandia was altijd goed in het onverwachte.
Het ga jullie goed.
Arthur Sonnen
Utrecht, 19 juni 2005
van Bert Luppes
Lieve Johan, Paul en allen aanwezig,
Ik ga terug naar 1975.
Het was juni en misschien wel op de dag af 30 jaar geleden.
Ik kwam naar Maastricht om de oriënteringsweek te volgen, me aan te melden aan de toneelschool.
Nou had ik voor die week nog geen slaapplaats in Maastricht en Nico de Vrede, de toenmalige directeur, stuurde mij mee met een man van achter in de twintig -in een overall, een soort automonteur- die mij in een kanariegele Daf naar het bassin bracht, een achteraf kanaal bij Maastricht…
Dat was Jack Vecht.
We stapten uit.
Klommen op het dek van de MS Avanti.
Kropen door een klapluik.
Kwamen in het ruim waar het woongedeelte was.
Ik kan me de geur van de oliekachel nog herinneren.
Achter in het ruim aan een houten keukenaanrecht stond een andere man ook van achter in de twintig, in een te kort rood sportbroekje en een bedrukt smoezelig onderhemdje bloemkool te koken. Tot mijn grote verbazing kookte hij die bloemkool in zijn geheel: dus met blad en al! Hij stond daar achter het houten aanrecht; rechtop, statig, trots en sterk. Als een danser. Dat was Johan.
Een aantal jaar daarna. De eerste ontmoeting met Paul.
Het was de tijd van het Regiotheater.
Ik zou mee gaan doen aan een tentvoorstelling.
Het was in zo’n tent op een mooie zomerdag dat ik Paul ontmoette.
Hij was daar druk in de weer allerlei slagwerk op te stellen.
Af en toe een gigantische klap op een grote trom.
En dan zag ik hem druk bezig met metalen doosjes, zo groot als twee luciferdoosjes.
Waarin -kennelijk- krekels zaten, gezien het ritmische geluid dat eruit kwam.
Terwijl ergens anders in diezelfde tent zijn zoontje Bo rondliep en speelde en zich vermaakte –ik denk dat Bo nog een vier jaar oud was-. Ik gaf Bo die keer dat balletje. Een Hacky-Sack.
Ook dat beeld.
Een vader met zijn kind.
Samen op dezelfde werkplek.
Het privé en het werk zo heerlijk dicht bij elkaar.
Die momenten, die beelden hadden eigenlijk al de ingrediënten in zich, waaruit later Hollandia zou bestaan; de locatie, het voedsel, het toneelbeeld, de kostumering, de hoofdpersonen, de sfeer, het basale.
Vandaar uit ontstonden de Geboden voor de Hollandiaan. Waarvan ik er enkele zal voorlezen:
DE TIEN GEBODEN VAN/VOOR DE ECHTE HOLLANDIAAN
GIJ ZULT NOOIT WIJDBEENS OP HET TONEEL STAAN
GIJ ZULT TONEELSPELEN MET UW OREN
GIJ ZULT NOOIT MET EEN VINGER NAAR EEN ANDER WIJZEN OP HET TONEEL
GIJ ZULT NOOIT MET UW HANDEN TONEELSPELEN
GIJ ZULT MONTEREND MOETEN KUNNEN TONEELSPELEN
GIJ ZULT MET BEIDE POTEN IN DE KLEI MOETEN KUNNEN STAAN
GIJ ZULT DE ELEMENTEN MOETEN KUNNEN TROTSEREN OP TONEEL
GIJ ZULT EEN MOBIEL MOETEN HEBBEN
GIJ ZULT IN UW NIKSENDENAAKIE MOETEN KUNNEN STAAN OP HET TONEEL
GIJ ZULT EEN TEKST MET UW STEM IN RITMISCHE STUKKEN MOETEN KUNNEN HAKKEN
GIJ ZULT UW TALEN GOED MOETEN BEHEERSEN
GIJ ZULT EEN VERVOERSMIDDEL MOETEN HEBBEN KLEINER DAN DE ARTISTIEK LEIDER
GIJ ZULT OP DE MEESTE BIZARRE PLEKKEN MOETEN KUNNEN TONEELSPELEN
GIJ ZULT ALS VROUW U ALS MAN MOETEN KUNNEN GEDRAGEN
GIJ ZULT ALS MAN UW SPIEREN MOETEN ONTWIKKELEN
GIJ ZULT MET UW STEM BOVEN HET GELUID VAN REGEN OP EEN GLAZEN DAK UIT MOETEN KOMEN